Oranjekapje

29 Jun

Little_Red_Riding_Hood_WPA_posterMet een mandje gevuld vol taco’s loopt Oranjekapje naar de rand van het bos. Oh, wat wil ze graag naar de overkant, naar Salvador. En ze weet, als ik het keurig geplaveide pad volg….dan ben ik er zo. Bovendien, haar linkerkuyt (kan ook haar rechter geweest zijn) heeft dit pad zeker al 99 keer eerder gelopen, dus het zou een fluitje van een cent moeten zijn.

Maar oh, wat is het heet. Zo ontzettend heet. En de koelte van de bomen, de schaduw van hun bladeren, het ziet er zoveel aanlokkelijker uit. Maar ja, ze weet ook dat er juist buiten die gebaande paden gevaar loert. Mexicaanse wolven, die loeren op haar taco’s, haar mandje of erger nog…haar kapje. Wat doe je dan?

Ze heeft wel haar trouwe waakhond Martins Indi bij zich, maar die is nog herstellende van een zware val van een paar dagen geleden. Eigenlijk mag hij zo’n lang stuk nog niet lopen. Maar zonder hem ziet ze het helemaal niet zitten, dus ze besluit het er maar op te wagen. Ze gaat gewoon maar op pad, ze ziet wel hoever ze komt.

AUW!

Langs de weg staan prachtige, oranje tulpen. Eerst een paar, maar het worden er steeds meer. Oranjekapje is even verblind door al die bloemenpracht. Tussen al die tulpen staat één vreemde, groene bloem. De Dos Santosbrandnetel. Ze stopt en bukt om deze bijzondere bloem te plukken, maar zodra haar vingers de steel omvatten, slaakt ze een kreet van pijn en afgrijzen.

Ze ziet hoe haar hand opzwelt, waardoor ze haar mandje bijna niet meer kan dragen. Voor ze het door heeft, is ze bestolen door een Mexicaan die in de bosjes geduldig zijn kans had afgewacht. Daar stond ze dan. Alleen. In het bos. Zonder mandje. Salvador leek nog nooit zo ver weg.

Wat moet ik nu, dacht Oranjekapje. Ze hinkt op twee gedachten, op drie zelfs. En dankzij haar sterke Kuyt, die haar dan weer links, dan weer rechts ondersteunt, weet ze haar weg te vervolgen. Er vliegt een klein Robbenvogeltje over die haar bemoedigend toefluit en voor haar uit vliegt om de weg te wijzen. En ze weet…ik ga het halen. Ze blaakt van het zelfvertrouwen.

Uit het juiste hout…

Zelfs als ze op een goed moment afdwaalt en op een grote open plek uitkomt. Een doodlopend stuk, waar ze, voordat ze ‘Memphis Depay’ kan zeggen, al omsingeld is door een tiental Mexicanen. Ze haalt diep adem, sluit haar ogen en bidt in zichzelf voor een goede afloop. Als ze tien tellen later haar ogen weer opent ziet ze dat haar belagers het hazenpad hebben gekozen. “Ze zijn weg hoor, je kunt weer verder”, hoort ze achter zich. Ze draait zich om en ziet een klein, gespierd mannetje, dat relaxt op een boomstronk zit terwijl hij met een mes een twijgje bewerkt.

“Bent u een houthakker?”, vraagt ze aarzelend. “Nee, ik ben een houtsneyder”, antwoordt hij, “Maar jij mag wel Sneyder zeggen hoor. Zal ik anders een stukje met je meelopen? Gewoon voor de zekerheid?” Blij accepteert Oranjekapje zijn aanbod en samen vervolgen zij hun weg. Ze moeten nog flink doorlopen, want het begint al te schemeren. Ze hebben nog een minuut of drie en dan wordt het donker. En ze weten allebei, als het eenmaal donker is, dan is het te laat. Dan is het over en uit. Geen hele fijne gedachte dus.

We zijn er bijna….

Plotseling ziet Oranjekapje in de verte de skyline van Salvador opdoemen. “We zijn er bijna”, roept ze enthousiast tegen Sneyder. Maar die antwoordt niet. Het tempo is moordend en de temperatuur is hoog, veel te hoog. Hij stopt om wat te drinken bij een beekje en even uit te rusten. Hij ziet niet, dat in de boom boven het beekje een Mexicaanse struikrover op hem loert. Net op het moment dat hij een plens water in zijn gezicht gooit, hoort hij een harde knal. Hij kijkt op en ziet hoe de man uit de boom valt, de schotwond nog duidelijk zichtbaar in de punt van zijn sombrero.

“Wat was dat?”, schreeuwt Oranjekapje verschrikt. Vanachter een struik komt een jager tevoorschijn, een hunter. Hij zat al twee weken geduldig af te wachten op zijn vaste plekje en nu werd zijn geduld beloond. Niet zomaar een schot hagel, nee hét bevrijdende schot voor Oranjekapje. “Geen tijd te verliezen”, roept hij haar en Sneyder toe. “Rennen, jongens, rennen!” En dat doen ze. Oranjekapje, haar Kuyt, Sneyder, Martins Indi en the hunter rennen naar de rand van het bos. De grens over. Precies op tijd.

Ongeslagen. Veilig aangekomen in Salvador. En ze leefden nog lang en gelukkig. In ieder geval tot 5 juli.

Het boek is nog niet uit!

Tot zover het sprookje van Van Gaal en zijn jongens. Want dat is het toch hè mensen…een sprookje? Waarbij alle hoofdrolspelers precies op het juiste moment schitteren. Waar iedereen zijn moment of fame kent, verhalen als dat van Dirk Kuyt en de sterfdag van zijn vader nog net wat extra dimensie geven aan het geheel en we allemaal zo ontzettend blij zijn dat Louis vroeger met Transformers heeft gespeeld.

Want dat is precies hoe hij ‘zijn jongens’ ook inzet. Als transformer. Het ene moment spelen ze nog zus, het andere moment zo. Hij klapt in zijn handen en ze passen zich aan. Zij wel. De tegenstander niet. Die blijft in verwarring achter.

Wat een wedstrijd. Wat een WK. Wat een bondscoach. Wat een sprookje.  Weet iemand nog een goede cardioloog?

Bron foto: Wikipedia

Advertenties

Eén reactie to “Oranjekapje”

Trackbacks/Pingbacks

  1. De laatste acht….. | feetjeblogt - 2 juli 2014

    […] – Mexico 2 – 1 Over dit sprookje hoef ik eigenlijk niet veel meer te zeggen. Toch? Iedereen heeft net weer een beetje zijn normale […]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: